Kepie model 1916

Kepie model 1916

Model 1916

De Eerste Wereldoorlog in volle gang, Europa stond in brand en met de shako 1912,  had te veel uiterlijke kenmerken van het Keizerrijk. Hiermee kon de neutraliteit in het geding komen en midden in een  oorlog kwam het model 1916.

De trend van het groene uniform werd doorgezet in in het ontwerp van de kepie model 1916. Waarmee er definitief afscheid werd genomen van de pracht en praal in het veld.

De kepie was net als zijn voorganger voor alle rangen, met uitzonderingen van de generaals.

De kepie was wel voor eigen rekening en moest zijn bestaan delen met de kepie model 1897 en in het veld met de stalen helm.

De kepie model 1916

De eerste groene kepie

De kepie model 1916 verscheen als eerste groene kepie, vastgesteld bij Koninklijk Besluit ( K.B.) 7 april 1916, nummer 101. Deze kepie werd zowel voor bij het veldtenue als bij het geklede tenue gedragen. De kepie was de vervanging van de shako - en pet model 1912, voor alle rangen met uitzondering van de opperofficieren, De opperofficieren (Generaals) behielden de pet model 1912 tot in de jaren vijftig.

In  het jaar 1912 werd het uniform model 1912 geïntroduceerd. Na een jaar werd dit model vervangen voor een sobere model. Bij deze overgang werden Shako’s model 1912, de kepie model 1897 en de diverse stalmutsen door elkaar gedragen. Dit gaf in de uniformering een kakelbonte verzameling van hoofddeksels. Vermoedelijk is de kepie model 1916, om deze reden geïntroduceerd. Hiermee werd eenheid in tenue gebracht en een besparing op de defensie uitgaven.

Bij de vernoemde herziening van de uniformering, werd er besloten dat een aantal hoofddeksels werden afgeschaft.

  • De Shako model 1912 werd bij K.B. vervangen 7 maart 1916 nummer 101
  • De kepie model 1897 afdraagtijd tot 1917
  • De pet model 1912 afdraagtijd tot 1 januari 1920, ( M.B.  van 3 januari 1920 VI  e afd. nummer 107)
Einde stalmutspredicaat

De kepie kreeg hiermee de status als officieel hoofddeksel en verloor het "Stalmutspredicaat. De kepie werd naast de helm model 1916 gedragen. In eerste instantie was de aanschaf van de kepie voor eigen rekening. Voor de manschappen werd de kepie model 1897, vervangen door een veldmuts model 1912, later model 1914 en konden de kepie model 1916 voor eigen rekening kopen.

Het model 1916, is alleen in het groen verschenen. De kleur groen, was ontstaan uit de ervaringen van de Fransen in de eerste wereldoorlog. Voor het ontwerp mocht de kleur niet op  “Feldgrau” lijken, dit gezien de politieke gevoeligheid in en rond de eerste wereldoorlog. Nederland was neutraal en enige gelijkenis met de strijdende partijen, zou de neutraliteit in gevaar brengen.

De kepie was, behalve de uitmonstering van de kokarde,  in opbouw gelijk voor alle rangen, van manschappen tot aan hoofdofficier. De kokarde voor de officieren vanaf de rang van adjudant onderofficier, was van goud- of zilver torsade. De onderofficieren hadden een kokarde van katoen en de korporaals en manschappen een blikken kokarde. De biezen waren de kleur van het onderdeel/regiment/afdeling waar de drager toebehoorde. In vergelijking met de buurlanden, was deze markering in de gekleurde biezen voor de officieren niet bevredigend. Het leger, een hiërarchisch instituut, moest het duidelijk zijn wat de rang was en als bij de generaal zichtbaar op het hoofddeksel.

Beschrijving kepie

De kepie 1916

  • Van fijne wol voor officieren en grove wol voor de manschappen,
  • ovaal ronden bodem
  • hoog voor 9,5 centimeter , achter 12,5 centimeter
  • Vallen klep overtrokken met grijs laken
  • Stormband van blank tuigleer met een bronzen balkgesp en een lederen schuifpassant
  • Aan elke zijde een bronzen uniformknoop van 1.4 centimeter
  • Op 1 centimeter en op 4 centimeter afstand van de onderkant een bies of koord in de kleuren van het wapen of dienstvak ( onderdeel/afdeling/regiment), met een breedte van 2 millimeter
  • De bol gebiesd met grijs laken en aan de zijkanten voorzien van twee metalen nestelringen.
  • Aan de voorzijde een kokarde voor de officieren en adjudanten-onderofficieren van gouden of zilveren torsade voor onderofficieren van gele of witte zijde en voor korporaals en soldaten van geel of wit metaal.

De maten waren vastgesteld, maar de uitvoering was maatwerk. Na de proefperiode werden voorbeelden aan de kleermakers verstrekt. Het eerste model was van onderen naar boven, iets taps toelopend en aan de achterzijde gebold als bij een Duitse Shako. Het tweede model wat wordt toegeschreven aan de kleermaker Tegelaar, te Dordrecht, waren deze kenmerken er niet meer, of aanzienlijk minder.

Het Koninklijk Besluit van 11 september 1923 nummer 91, staat beschreven in de “Beschrijving uniformen, de tenuen en het paardetuig van de landmacht”, 22 september 1923. In de beschrijving wordt naast het groene uniform, een donker uniform gekleed tenue beschreven. Hierin staat een kepie beschreven, waarvan de maten gelijk zijn aan de maten van het model 1916.

Het model 1916 evolueerde, met aanpassingen naar het model 1928. De groene kepie Model 1916 mocht gedragen worden tot  31 december 1931 ( Vastgesteld bij K.B. van 3 juni 1931, nummer 35).

De kepie model 1916 bij de tenuen

Vanaf de invoering van de kepie model 1916, waren de kledingvoorschriften dynamisch en facultatief. De structuur van de krijgsmacht ( leger) was in transitie en hiermee ook de uniformering. Binnen de politiek werd vanuit “Economisch polderen” besluiten genomen, voor het afdragen van de uniformen uit 1900 en de officieren tevredenstellen.

Binnen de uniformering werden vier vormen van tenuen onderscheiden :

1.    Dagelijkse tenue

2.    Veldtenue

3.    Geklede tenue

4.    Ceremoniële tenue

In de periode van 1916 tot aan 1923

Voor alle wapens en dienstvakken , met uitzondering van, Generale staf Grenadiers & Jagers, Cavalerie, Rijdende Artillerie (Korps Rijdende Artillerie) werd de groene kepie gedragen bij het dagelijkse-, veld- en geklede- en ceremoniële tenue , door de officieren vanaf de rang adjudant onderofficier tot hoofdofficier. Bij het Ceremoniële werd een pluim op de kepie gedragen.

In de periode van 1923 tot aan 1928

Voor alle wapens en dienstvakken , met uitzondering van, Generale staf Grenadiers & Jagers, Cavalerie, Rijdende Artillerie(Korps Rijdende Artillerie) en Koninklijke Marechaussee, werd de groene kepie gedragen bij het dagelijkse en veldtenue , door de officieren vanaf de rang adjudant onderofficier tot hoofdofficier. De zwarte kepie werd gedragen bij het geklede- en ceremoniële tenueBij het Ceremoniële werd een pluim op de zwarte kepie gedragen.

Zie het schema voor het volledige overzicht van de tenues.